Artikels

Vakantietijd / Tijd voor persoonlijk gebed – V. Ignace
Klik hier

Het gebed van de stille week  – V. Dominique
Klik hier

De heer, geneesheer van de mens – V. Dominique
Bedenkingen bij de grote vasten
Klik hier

Over berouw, inkeer en bekering – V. Dominique
Klik hier

De vasten en het paasmysterie: enkele beschouwingen – Olivier Clement
Klik hier

Kerstmis en de Theofanie – V. Dominique
Klik hier

De advent – De komende verlossing van de mens
Klik hier

‘Bij het begin van het Kerkelijk jaar’
Klik hier

This is the day of the Lord – V. Dominique
Klik hier

Hemelvaart – V. Dominique
Klik hier

Pinksteren – V. Dominique
Klik hier

De transfiguratie van de hele wereld – Theosis
Z. H. Oecumenisch Patriarch Bartholomeos
KUL – 29 februari 2015
Klik hier

Gedenk mij heer in uw koninkrijk – Jacques Touraille

“Het geheugen in de Filocalie”

Gedenk‘ is één van de sleutelwoorden bij de neptische/wakende Vaders. Graaf uit jezelf weg wat de wereld belet een zuivere hemel te zijn, opdat uit het diepste van de afgrond waarin je ‘zijn’ begraven is, dat andere ‘Gedenk’ zou ontspringen: ‘Denk aan mij, wanneer Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt‘ (Lc 23, 42). En als je gebed echt dat van de goede moordenaar is, luister dan met heel je hart naar de onbegrijpelijke verhoring door de duisternis van de verlatenheid en de dood heen: ‘Voorwaar, ik zeg u: vandaag nog zult ge met Mij zijn in het paradijs‘ (ib., 43). Het hele filocalische geheugen is vervat in deze ultieme en inleidende dialoog. Het vormt een geheel met een Koninkrijk waarvan wij weten dat het gelijktijding de wereld overstijgt en in het hart van het leven geënt is: als een korrel die boom wordt, vanaf de kiem in Eden tot de ontzaglijke ontplooiïng die wij nu vaststellen en waartoe wij bijdragen. Die ontplooiïng heeft echter slechts zin – is slechts gered – indien wij haar kunnen terugvoeren naar haar kiem, zoals het zaad in het fruit zowel het verleden (waarvan het afhangt) als de toekomst (die later zal ontkiemen) in zich draagt van de boom die het zaad heeft voortgebracht.

 Maar Eden is niet het verleden, en het Koninkrijk is niet de toekomst, in de betekenis die wij aan verleden en toekomst geven in de evolutie van de lineaire tijd. Eden en het Koninkrijk zijn altijd samen aanwezig in een heden, dat niet ophoudt zich te voltrekken: de éne tijd van de bijbelse taal. Het filocalisch geheugen voert ons slechts terug naar Eden om ons naar het Koninkrijk te brengen: wat niet betekent dat dit geheugen de wereld verlaat, maar het omvormt tot transparantie van al wat de zintuigen opvangen, om ruimte en tijd nog slechts te zien als de locatie van het licht, waarvan het filocalisch geheugen zich voortaan voedt. Zo raakt het niet enkel wat de wereld zal zijn wanneer de schepping de kinderen van het licht zal gebaard hebben – God alles in allen -, maar ook wat de wereld nu al is, in de mate dat het geheugen hier en nu reeds de schoonheid uit de wereld puurt.

Het is dus niet het verleden dat zin geeft aan de geschiedenis, noch de toekomst die haar verklaart, maar het permanente bewustzijn van haar staat en haar bestemming (zonde en dood), zoals ze vervat zijn in de paradijselijke kiem (zonder fataliteit, maar als een gevolg van de vrijheid) te midden van de geneugten. Hier, in dit philocalisch geheugen, vindt men niets dat heult met of zich opsluit in een platonische herinnering, noch bij Freud, noch bij Proust (‘A la recherche du temps perdu’ NvdV). Het heeft zelfs niets van doen met het peilen in de Heilige Schrift, noch met het liturgisch memoriaal, dit lange geheugen van de Kerk, dat steeds opnieuw volgens het ritme van dag en nacht, maanden en jaren van de aarde, het hele leven van de Heer, van de Moeder Gods en de Heiligen in herinnering brengt, opdat de cosmische tijd in ons de tijd worde van de heilsgesschiedenis.

 Evenmin betekent dit een onderwaarderen van die duik in de afgronden en de zon, dedrama’s en de feesten van de tijd. Maar ze worden anders aangevoeld. De geschiedenis wordt niet langer in het geheugen opgenomen volgens de engelachtige of de duivelse aard van haar gebeurtenissen, maar men houdt a.h.w. de geschiedenis aan beide uiteinden vast als een draad, met als enig criterium, enige absolute getuige het lichaam van vlees verenigd met het Woord: de Ene ware en de Ene getrouwe. Het filocalisch geheugen werkt in de tijd als een kortsluiting. Waar het de tijd aan het ene eind – bij het begin van de wereld (oer-zonde) – vasthoudt en aan het andere eind (de dood), verbrandt het zich. Maar het brandt de tijd niet op. Als een stille vlam waakt het bewustzijn van hem die zich herinnert. En het vuur van de herinnering is het Woord van God.

 Zo houdt deze drievoudige herinnering – van de zonde, de dood en God – bij de hesychast een innerlijke ruimte, die ontoegankelijk en niet overdraagbaar is, niet los van de evolutie van de wereld, maar integendeel zo op de hoogte ervan, want de ruimte van de Geest omarmt de hele wereld, dat de innerlijke mens als bij voorbaat de gevolgen ervan doorziet. Hij projecteert zichzelf niet in de zonde, noch in de dood. Maar, steeds dieper in zichzelf gravend naar de herinnering van de oerzonde, weet hij uit zichzelf, vermits hij in de innerlijkheid verblijft, dat de uitdeining van die oerzonde – wat wij geschiedenis noemen – slechts kan uitmonden op het hoogtepunt van de kennis van goed en kwaad bij het laatste oordeel.

 Die gave van onderscheid heeft niets te maken met de angst voor de dood. Ze bestaat helemaal in de zekerheid van een ervaring, die de mens dompelt in die plaats die begin en einde van de tijd is, wat de traditie het hart noemt); de eigen plaats van een geheugen dat tegelijk ontbonden en fonkelend is, waar geboorte en dood in de tijd en de wereld voedsel worden voor de eeuwigheid: de plaats van God, de plaats van de Levende. Zoals het licht van de sterren verdwijnt voor het zonlicht, zo wordt het oude geheugen, het nachtelijke geheugen bewoond door de poëzie van de wereld en de angst voor de afgrond, maar ook door de zelf­genoegzaamheid van encyclopedisch onderzoek, verduisterd en in dit geval in het onzichtbare door het levendig bewustzijn van de droeve en glorierijke mysteries van de ‘doortocht’ van God naar de wereld, en van de wereld naar God toe in het lichaam zelf van de mens.

Maar eerst ‘gedenk je zonde‘. Het nieuwe geheugen – het geheugen van de zonde – wordt niet meer opgeslorpt door de wereld, niet meer versnipperd, noch opgedeeld, niet meer verscheurd in de lineaire tijd, noch bekommerd door de zorgen van dit leven. Toch onttrekt zij ons niet aan de werkelijkheid. Wij worden slechts weggenomen uit de veelheid van de tastbare wereld om ons ‘ik’ om te vormen naar het beeld van de goddelijke Persoon: het enige fundament van de realiteit, wat de Byzantijnen hypostase noemen. Dit betekent dat het lichaam van de mens – deze levende ziel – bestemd is voor de eeuwigheid. En toch sterft de mens. Maar de openbaring is formeel: de dood is niet aan de schepping gebonden, zij is de bestraffing van de zonde. Het filocalisch geheugen gaat dus recht op de wortels af. De wereld ís goed en mooi. Maar de oorspronkelijke zonde, zonde van het verstand, niet van het lichaam, maar wel tegen het lichtgevend lichaam, tegen de Mensenzoon: weigering om alles van de Schepper te verwachten; deze zonde heeft de wereld gemaakt tot de plek van een dodelijke verwonding, van een uitdaging aan de goedheid en de schoonheid van het licht, van een afwijzing van het beeld van God. Ik zal nooit een stap vooruit zetten in het geestelijk leven – of: de stappen die ik zet zijn slechts uiterlijk vertoon, of wat de Vaders prostitutie noemen – indien ik niet heimelijk en diep gekwetst ben door die verwonding. De zonde van Adam, de zonde van de wereld is mijn zonde. Niet dat ik er behagen in schep door mijn ziel te ontluizen of af te schuimen. Maar ik moet stilstaan aan de grens van het Paradijs, mij herinneren en wenen. En het Paradijs betekent hier niet zozeer de schoot van de geschiedenis, de dageraad van het mensdom of de verloren tijd, dan wel het huidige hart van mijn leven, het levende hart van de wereld: de lelies van het veld, de vogels in de lucht, de blik van een kind, het heilig land, de moeder-kerk; als het enige noodzakelijke, want waarom zou ik anders de verlossing zoeken, – dan moet ik het bewustzijn bewaren van het moment waarop, door de fout van de mens, de staat van genade van de wereld omgeslagen is in ballingschap. Dag na dag, te pas en te onpas, moet ik voor ogen houden dat wij, in onze lichamen, onze culturen, onze beschavingen, een fundamentele breuk beleven, en dat niets van wat wij doen – als wij het doen zonder berouw, zonder bewustzijn van de betekenis van de zonde, zonder geraakt te zijn door diep berouw (de katanyxis van de Vaders, die pijnlijke tederheid die het hart dichtsnoert tot het verlangen naar de dood) – niets ons in staat stelt de aarde te maken tot het Koninkrijk van de hemelen. Integendeel – en de geschiedenis van de wereld, die tevens de geschiedenis van de Synagoge en die van de Kerk op aarde is, bewijst het – wij maken de afgrond alleen maar groter. Ik kan slechts wenen van schaamte en aanbidding. Wee mij als ik mijn verwonding overdraag op anderen, of als ik mijn zonde wegmoffel of slechts vergeet. Want het is mijn absolute plicht verwond te zijn voor allen, in de naam van de Ene, die de macht heeft om mij te genezen. Ik kan enkel bidden opdat, door mijn wonde, het verstand in het hart binnengaat en dat allen in mij het Paradijs terugvinden. De staat van genade is niet mijn eigendom. Mijn wonde voor mijzelf houden, genoeg hebben aan mezelf, ophouden mij de oorspronkelijke zonde te herinneren – zij het op grond van mijn doopsel – zou betekenen dat ik mijn duisternis tot licht verklaar, dat ik het zwaaiend zwaard tegen de anderen keer en de weg van de vergeving afsluit. Maar dan is de vraag: in welke duisternis zit je? Dan kan ik nog enkel getekend worden met het teken van het Kruis.

Gedenk je dood‘. Het geheugen is hier niet langer dat van de tijdsduur, maar dat van de drempels; niet dat van het vergaren van informatie over de schepping en haar bestanddelen, hier werkt het geheugen in omgekeerde richting. Zij ledigt de mens van al wat hem aan tijd en ruimte bindt, om hem de twee polen tezamen te doen vasthouden: afzonderlijk vastgehouden zouden ze vergaan in ziekelijkheid, maar tezamen vastgehouden laten zij de Ongeschapene door, die oordeelt en de wereld verlost. Wanneer de hesychast eerder zijn zonde in het geheugen houdt dan de wereld, plaatst hij zich vóór het Oordeel en de Verlossing. Hoe meer hij zich de zonde herinnert, hoe meer hij de dood gedenkt. Wanneer hij zijn geest in het hart van Eden houdt waar geen aards lichaam nog kan binnengaan, dan ontdekt hij de hel. Maar hij zocht de liefde. En de liefde is het sterkst. De dood wist de zonde uit. Zo zuivert de hesychast zijn hart, in het midden van het Paradijs als in het diepste van de hel; dag na dag. En elke dag is de eerste en elke dag is de laatste. Geen ruimte hier voor een natuurlijke idylle, maar evenmin een neiging tot zelfmoord. Maar wel een grondige ascese van de geest. Op de grens, en daar houdt het biddend hart, het wenend hart zich steeds op, keert de dood in het vernietigen van de zonde zich tegen zichzelf. Er is geen dood meer, maar een absolute scheur (cf. het scheuren van het voorhangsel van de tempel: Mt 27, 51;Mc 15, 38;Lc 23, 44 NvdV): het Pasen – waar nog enkel de loutere evidentie van het Koninkrijk overblijft: het eeuwig leven, de vrede, de blijdschap. Het lichaam van de monnik – van de christen – gekruisigd door het getuigenis – het martelaarschap – van zijn geweten, identificeert zich al met het verrezen lichaam. O vreugdevolle rouw…, zeggen de Vaders.

Gedenk God‘. Het aarden lichaam zal voorbijgaan. Ofwel verlies ik mijn hele geheugen en dan kom ik terecht in krankzinnigheid en de hoogmoed van het niet: ik weet (dan) niet meer wat de geschiedenis van de wereld is, noch mijn eigen geschiedenis, en waarom er überhaupt een geschiedenis ís; ik schrap de zingeving of bepaal ze zelf. Ofwel zie ik de geschiedenis in haar lichtende bedoeling, buiten bereik, en toch aangeboden; tussen de herinnering aan de zonde en de herinnering aan de dood, de tijdsmaat witgloeiend, de sfeer van het tastbare op ontploffen. In die bliksemschicht – de dwaasheid waarover Paulus spreekt of de dronkenschap zoals de Vaders het noemen – komt het ogenblik waarop geen enkele gedachte, zelfs geen deugdzame, geen enkele daad, ook niet een goede, nog aan bod komt. Het leven wordt wat het nooit had moeten ophouden te zijn, wat het fundamenteel altijd is: de verwondering, de verrukking.

Het geheugen van God is hier de volheid van het absolute heden, de poort tot het visioen. De hesychastische methode mikt op de zuiverheid van het hart. Zij poogt niet beelden te suggereren, zelfs niet uit het leven van Christus, en nog minder gedachten zoals de morele of politieke modellen voor onze overweging of ons handelen. Zij wil ons tot het essentiële, tot de kern brengen: wat van ons overblijft wanneer de ramp of de dood voorbij zijn, datgene waarvoor wij volkomen onkundig zijn. Behalve als wij ons er op hebben toegelegd genoeg aan de wereld te sterven om binnenin nog enkel te leven voor de Levende. Onze onkunde houdt weliswaar niet op. Maar ons geheugen vormt één geheel met het mysterie van de Levende. Onze ogen zijn nog steeds op de wereld gericht, maar nu onderscheiden wij. Wij zien het object, het ding, maar wij onderscheiden de vlam. Wij zien de vorm, maar wij herkennen de ziel. De wereld is nog steeds een geheel van informaties, die door de zintuigen en het verstand worden geregistreerd en doorgezonden om er zich mee te voeden of er in te verstikken. Maar nu wordt de wereld ontvangen en gedragen, los van elk misbruik, en hoe dan ook gewaardeerd als onze oogappel, zoals het geschrift van iemand die aan ons lichaam de bevrijdende boodschap brengt van zijn onzegbare en volmaakte identiteit. Dat geschrift – het geschrift van de sterren en de wateren, van de stenen en de bloemen – als ik het leer lezen met mijn ogen en in mijn hart, is zo mooi dat uiteindelijk ik niets anders meer kan dan aanschouwen wat het is; en mij, in dat geschrift, herinneren om Hem te beminnen en dank te zeggen: wie het is die mij aanspreekt en mij erdoor duidt. Ik kan dan niets anders meer doen dan mijn leven te wijden aan de liefde en aan de schepping van die schoonheid in mij.

Ons pad naar de vrijheid – Christos Yannaras
“De vrijheid als mogelijke onbeperkte keuze”

Ik denk dat een overweldigende meerderheid der mensen vandaag de vrijheid beschouwen als het hebben van een onbeperkte vrije keuze. Ik ben vrij als ik kan kiezen zonder enige belemmering: het journaal kiezen waardoor ik wens ingelicht worden, de politieke partij die mijn land zal regeren, de ideologie die ik de meest pertinente vind, het soort verstrooiing dat mij bevalt. Bovendien ben ik ook vrij het liefdesgedrag te kiezen dat mij past, de filosofie die mij voldoet, de religieuze traditie     die mij het meest inspireert.

 Onze hedendaagse beschaving, vooral de levenswijze in zijn geheel, de manier waarop de leefgemeenschap georganiseerd is samen met het persoonlijk gedrag, zijn gestoeld op de bevestiging en het behoud van persoonlijke vrijheden, als onafhankelijke persoonlijke keuzes. Wij beschouwen het als vanzelfsprekend dat de Staat (of die nu burgerlijk of nationaal is, zoals de filosofie der Verlichting bepaalt) ons vrije meningsuiting waarborgt en geloofsovertuiging, politieke betrokkenheid, beroepsactiviteit, vrije menings-uiting, religieuze cultus en bewustzijn, enz.

 De vrijheid, als recht om persoonlijke keuzes te maken, bepaalt de levenswijze van vandaag van onze maatschappij. Wanneer dit evident gegeven van onze levenswijze zou verdwijnen of afgeschaft worden, zou de organisatie en het functioneren van onze dagelijks privé leven in elkaar storten. Onze maatschappij zou dan een verwilderde jungle zijn. Of wij zouden onderdrukt worden door een tirannie die alle persoonlijke vrijheid beknot. Onze huidige beschaving is nu eenmaal opgebouwd op een voor allen bindende regel (het contract), namelijk de verzekering van individuele vrijheden zonder enige beperking.

Vladimir Lossky – De getuigenis van de universele orthodoxie
“Michel Stavrou”

Door de uitstraling van zijn studies en ondermeer door zijn “Mystieke theologie van de Oosterse Kerk” is Vladimir Lossky https://i1.wp.com/str2.crestin-ortodox.ro/foto/971/97047_v_lossky.jpgongetwijfeld één van de belangrijkere orthodoxe theologen uit de XXste eeuw. Zijn persoonlijk engagement ten gunste van de heropleving van de orthodoxie in het Westen – als teken van de katholieke universaliteit van het orthodox christendom – is echter veel minder gekend. Het leven en het theologische werk van V. Lossky openbaren precies op coherente manier een onophoudelijke zoektocht naar universaliteit, maar naar een concrete universaliteit die de Kerk de katholiciteit noemt, een zoektocht dus naar de ecclesiale katholiciteit gemanifesteerd in het aangegane huwelijk tussen de orthodoxie en de westerse samenleving.

Het belang van de leer over de mens – Tomas Spidlik

Het Russisch denken, zo stelt Zenkovski in zijn geschiedenis van de filosofie, is “antropocentrisch”. Het gaat in de eerste plaats
over de mens, zijn bestaan, zijn evolutie. Zo zagen het ook enkel grote auteurs die filosofisch-religieuze problemen behandelden: Skovo-roda, Tsjadaaev, Belinski, Nesmelov, Sjestov, en vele anderen.

 Ook in de literatuur vindt men diezelfde houding. In de poëzie van Tyutchev bevoorbeeld, bij Soloviev. Nergens anders wordt de problematiek van de mens met zoveel diepte behandeld als bij Dostojevski. Zoals Evdokimov schreef: “Het is in de mens dat het geheim van het universum opgesloten ligt, de vraag naar de mens oplossen, betekent ook de vraag naar God beantwoorden”. Daarom bekritiseert hij de abstracties van de intellectuelen, die naar zijn menig onpersoonlijke ideeën naar voren brengen: “Jullie zijn tegen het leven, dringen jullie abstracties aan het bestaan op, theoretici zonder vaste grond onder de voeten. Voor alles moet men iemand worden, “vlees” worden, zelf een persoon worden. Maar jullie zijn schaduwen, een kleinigheid…een droom, doorzichtig”.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s